Waar heb je een hekel aan?

Het idee voor deze les kreeg op weg naar het strand. Twee jongens van een jaar of tien waren druk met elkaar in gesprek. ‘Wat staat voor jou nummer 1 van dingen waar je een hekel aan hebt?’ vroeg de een aan de ander. De rest van het gesprek heb ik niet kunnen volgen. Maar je kunt je voorstellen dat hier ook een nummer twee en een nummer drie op volgt.

Het is natuurlijk ook een mooie vraag om in de klas te stellen: Wat staat voor jou nummer 1 van dingen waar je een hekel aan hebt? Laat de kinderen dat op een papiertje (of post-it) schrijven. Vraag dan eventueel ook naar nummer twee en drie.

Vervolgens kun je ervoor kiezen de briefjes met de hekel-dingen te verdelen over de leerlingen van de klas. Vraag welke oplossingen ze kunnen bedenken voor het ‘hekelpunt’ wat op het blaadje staat dat je ze hebt gegeven.

Als iedereen zijn of haar idee daarover heeft opgeschreven, of mondeling gedeeld met de klas, kun je ze gaan bespreken. Eventueel vraag je bij ieder voorgestelde oplossing of anderen nog een alternatief voorstel hebben.

Noteer op het bord, of op een scherm, de antwoorden. Je kunt er dan voor kiezen om de antwoorden al in te delen in het kwadrant met copingstrategieën dat je hier beneden ziet. Vraag dan wat de leerlingen van de verschillende oplossingen vinden. Wat vinden ze goed, wat niet goed en waarom?

Je kunt afsluiten door uit te leggen wat ‘coping’ is en dan het kwadrant tekenen. Je kunt dan afsluiten met de vraag hoe ieder zijn of haar grootste hekelpunt nu zou aanpakken. En wat de mogelijke gevolgen zijn van de verschillende strategieën.


Alternatief

Andere aanpak: Maak een top drie van ‘hekelpunten’ – en ga dan gezamenlijk over oplossingen filosoferen. Mogelijke wegen; copingstijlen.

Die vragen zou je ook in de klas kunnen stellen. Laat bijvoorbeeld iedereen een top drie maken op post-its. Verdeel die post-is onder de leerlingen.